27-11-2014 14:22 Accountancynieuws nr. 20

In de commentaren op dit wetsvoorstel is te lezen dat niet de kern van het probleem wordt aangepakt. Ook de Raad van State stelt in haar advies de prangende vraag welk probleem dit wetsvoorstel beoogt op te lossen. De problematiek van schijnzelfstandigen en aanzuigende werking op de ondernemersfaciliteiten worden met dit wetsvoorstel immers niet opgelost. We zullen hierna zien dat de voorgestelde BGL eigenlijk betekent dat de moeizaam opgebouwde rechtszekerheid binnen de diversiteit van arbeidsrelaties weer verloren gaat, en we wat dat betreft weer terug bij af zijn.

 

De VAR

 

De VAR-verklaring zoals we hem nu kennen heeft een boeiende historie achter de rug. De door de jaren heen steeds toenemende diversiteit aan arbeidsrelaties en vormen van zelfstandig ondernemerschap maken het er voor de fiscaliteit en sociaalrechtelijke wet – en regelgeving niet altijd makkelijk op om invulling te geven aan en een scheidslijn te trekken tussen de aloude begrippen ‘werknemer’ en ‘ondernemerschap’. Het was toch altijd helder: de werknemer staat in een gezagsverhouding tot zijn werkgever en de ondernemer is zelfstandig en werkt voor eigen rekening en risico. De tussenvorm is de freelancer of zzp’er. De diverse uitvoeringsorganen zaten niet altijd op één lijn wat betreft de invulling van de begrippen (werknemer, ondernemer, zelfstandige, zzp’er). Het kon zo zijn dat de sociale verzekeringen en de Belastingdienst eenzelfde arbeidsrelatie verschillend kwalificeerde. Het probleem, zoals de praktijk zich nog wel zal herinneren, was onder andere het risico dat pas achteraf een gezagsverhouding, en dus een dienstbetrekking, werd geconstateerd wat dan leidde tot (forse) naheffingsaanslagen, aansprakelijkheidsstellingen en boeteopleggingen.

Dit kwam de gewenste arbeidsflexibiliteit niet ten goede en de VAR werd bedacht. Uiteindelijk evalueerde dit naar een éénloketbenadering, waarbij de aanvrager slechts te maken had met één organisatie die de verantwoordelijkheid voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie kreeg. Deze schone taak kwam uiteindelijk op de schouders van de Belastingdienst te rusten. Bij haar vraagt de arbeidsverrichter een VAR aan en de Belastingdienst geeft de VAR die dan geldt voor de belastingen en sociale verzekeringen. Hiermee werd de bestaande onzekerheid tot hanteerbare proporties teruggebracht. Door afgifte van de VAR-verklaring in zijn huidige vorm wordt vooraf duidelijkheid gegeven over de juridische status van de arbeidsrelatie. De VAR-beschikking heeft slechts gelding als de feitelijke omstandigheden daadwerkelijk overeenkomen met de feiten op basis waarvan de beschikking is afgegeven. Het gaat hierbij om gerechtvaardigde rechtszekerheid. Blijkt er achteraf sprake te zijn van onjuistheden dan zal dat bij de aanvrager tot corrigerende sancties leiden en niet bij zijn opdrachtgever vermits deze te goeder trouw is.

 

Wat er nu door het nieuwe wetsvoorstel gaat gebeuren is dat er weer een grote verantwoordelijkheid voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie bij de opdrachtgevers wordt neergelegd. Het kern-probleem van de schijnzelfstandigheid wordt hiermee niet opgelost, maar de bal wordt weer doorgeschoven naar de opdrachtgevers en gevreesd mag worden dat we weer vervallen in de oude onzekerheid en bureaucratische procedures. Enfin we zullen zien wat de toekomst brengt. In de volgende paragrafen beschrijven we hoe de BGL eruit gaat zien.

 

Beschikking geen loonheffing (BGL)

 

Op basis van het wetsvoorstel zal de VAR met ingang van 1 januari 2015 worden vervangen door de Beschikking geen loonheffingen (BGL). De aanvraag van de BGL wordt een verantwoordelijkheid van opdrachtnemer en opdrachtgever.

 

De BGL moet worden aangevraagd door gebruik te maken van een webmodule. Daartoe zal de opdrachtnemer een aantal vragen moeten beantwoorden. Het wetsvoorstel geeft niet duidelijk aan wat voor vragen dit zijn. Dit zal nader uitgewerkt worden in nog in te dienen uitvoeringsregels.

 

Als een opdrachtgever de BGL aanneemt dan verifieert hij of de antwoorden van de opdrachtnemer overeenkomen met de feitelijke wijze waarop wordt gewerkt. Alleen in het geval dit overeenkomt geniet de opdrachtgever volledige vrijwaring voor de loonheffingen.

De antwoorden die de opdrachtgever moet verifiëren, zien op feiten en omstandigheden waarop de opdrachtgever invloed kan uitoefenen. Tijdens de parlementaire behandeling is als voorbeeld gegeven de vraag of de opdrachtnemer zich al of niet kan laten vervangen. Te denken valt verder aan de vrijheid of onvrijheid ten aanzien van de werktijden. Naar voren is gekomen dat de opdrachtgever niets hoeft te verklaren over het aantal opdrachtgevers van de opdrachtnemer. Dat is fijn, want dit ligt ook buiten de invloedsfeer van de opdrachtgever.

De consequentie van een BGL is dat de opdrachtgever geen loonheffingen hoeft in te houden.

Merk evenwel op dat een BGL geen (voorlopige) kwalificatie van de werkzaamheden als winst uit onderneming behelst. Deze kwalificatie komt pas aan de orde bij de aangifte inkomstenbelasting van de opdrachtnemer. Aan de huidige VAR-wuo pleegt de opdrachtnemer het vertrouwen te ontlenen dat zijn activiteiten ondernemerschap behelzen en dat hij daarom voor de bijbehorende faciliteiten in aanmerking komt. Dit vertrouwen kan hij vooraf nadrukkelijk niet aan de BGL ontlenen.

 

Overgangsregeling

 

In verband met de aangekondigde wijziging is er een overgangsperiode in 2014 en 2015.

 

VAR voor 2014 langer geldig

Vanwege de komende nieuwe wet- en regelgeving geldt in 2014 en een deel van 2015 het volgende: Blijft de opdrachtnemer hetzelfde werk doen onder dezelfde omstandigheden en voorwaarden? Dan kan hij de VAR voor 2014 ook in 2015 blijven gebruiken totdat de nieuwe wet- en regelgeving ingaat. De opdrachtnemer hoeft in dat geval geen nieuwe VAR voor 2015 aan te vragen en hij krijgt overigens ook niet automatisch een nieuwe VAR voor 2015 van de Belastingdienst. Deze regeling geldt voor alle geldige VAR’s die de opdrachtnemer voor 2014 heeft.

 

Nieuwe VAR niet meer automatisch toegestuurd

De Belastingdienst stuurde in september automatisch een nieuwe VAR voor het nieuwe jaar. In verband met de aangekondigde nieuwe regeling is dit jaar niet automatisch een nieuwe VAR voor 2015 toegestuurd, omdat de VAR voor 2014 ook in 2015 geldig is totdat de nieuwe wet- en regelgeving ingaat.

 

Wanneer wel een nieuwe VAR aanvragen?

In sommige gevallen dient de opdrachtnemer een nieuwe VAR aan te vragen. Dit is bijvoorbeeld het geval als hij andere werkzaamheden gaat uitvoeren dan zijn huidige werkzaamheden of indien hij nog geen VAR heeft, maar er wel een nodig heeft. In die gevallen kan er een nieuwe VAR voor 2014 of voor 2015 aangevraagd worden. Een nieuwe VAR voor 2014 kan heel 2014 aangevraagd worden, een nieuwe VAR voor 2015 kan in 2014 vanaf 1 september en in 2015 aangevraagd worden. De VAR blijft geldig totdat de nieuwe wet- en regelgeving ingaat.

 

[Drs. A.T. Valkenburg, PKF Wallast vestiging Amsterdam]